doorzoek de site
 

Kennisbank


Dykswallen of houtwallen

Friesland telt naar schatting nog 700 kilometer houtwal. Dykswallen zijn door de mens opgeworpen langgerekte aarden wallen van ongeveer anderhalve meter hoog, met aaneengesloten beplanting van verschillende houtsoorten.

Vaak ligt er aan beiden zijden een greppel waardoor het wallichaam steile kanten heeft.

De vroegste houtwallen ontstonden rond de nederzettingen als verdedigingen tegen rovers en wild en als omheining voor het vee. De overtollige grond en boomstobben werden aan de randen van het veld gedeponeerd. Lijnvormige elementen hadden vroeger vooral een functie als perceel- en eigendomsscheiding. De meeste houtwallen in Friesland zijn ontstaan tijdens de ontginningen in de twaalfde en dertiende eeuw.

 

De eik is de belangrijkste boomsoort van de houtwal. Beuken, essen, lijsterbessen en berken zijn bomen die zich ook thuis voelen op de houtwallen. Wilde rozen, braamstruiken, meidoorn, sleedoorn, hulst en vlier vestigen zich van nature op de houtwallen. Vogels hebben de zaadjes en bessen meegebracht die ontkiemt zijn en een gesloten vegetatie vormen. Stekelige struiken zorgen al gauw voor een ondoordringbare barrière.

 

De houtwallen vormen een microklimaat waar al die bijzondere planten en dieren zich thuis voelen. Veel dieren en planten, die in de bosranden thuishoren, komen ook voor in dykswallen. Het is opvallend hoeveel vogels in de bomen en struiken zoeken naar bessen, zaden en beschutting. Staartmezen, goudhaantjes, vinken en sijzen trekken vaak in groepjes door de houtwallen op zoek naar voedsel. Er zijn in het struweel wel 22 verschillende soorten broedvogels geteld. Maar ook veel vlindersoorten voelen zich hier thuis evenals reeën, vossen en vleermuizen.

 

Als we een houtwal vergelijken met een bos dan zien we dat in een houtwal het zonlicht kan doordringen tot onderin de wal, zodat er meer bladgroei is. In het groeiseizoen van de bomen en struiken wordt 15% van alle bladeren gegeten door insecten, zoals rupsen en kevers. In een bos wordt maar half zoveel blad door hen gegeten. Dat geeft aan dat er erg veel insecten leven in een houtwal, waardoor er vijfmaal zoveel insecten etende vogels in een houtwal leven als in een bos. In een houtwal leven zeker twee keer zoveel soorten dieren als in het veld.

 

De dykswâl heeft twee zijden. De noordkant ziet er heel anders uit dan de zuidkant. Iedere kant heeft zijn eigen kenmerken. De schaduwkant is relatief vochtig en koel. Ideaal voor bijzondere mossen en varens zoals het zeldzame dubbelloof, een varen met twee verschillende bladeren en het lever- en appelmos. Dubbelloof is gevoelig voor luchtverontreiniging, dus kunnen we de conclusie trekken dat de lucht hier nog gezond is. Paddestoelen vinden er hun groeiplaats en door de weelderige begroeiing komen de egels, kikkers, muizen en padden vanzelf. Aan de zonzijde is de begroeiing schraal door de droogte. Hier groeit vaak schapezuring en soms zelfs heide. De zonkant is op haar beurt geschikt voor vlinders, sprinkhanen en kleine reptielen.

 

Boerengeriefhout:

De dykswâl hield het vee binnen en wilde dieren buiten. Naast de functies van wind- en veekering speelde de houtproductie een grote rol. De houtwallen moesten niet te oud worden, maar laag en dichtbegroeid blijven om een goede barrière te vormen. Zo ontstonden enorme ‘stobben’ van afgezaagde stammen waar nieuwe bomen uit ontsproten. In de winterperiode kapten boeren steeds een deel van de houtwallen. Dat was een mooie bijverdienste en er ging weinig hout verloren. Het gekapte hout werd via de notaris als gerief- en brandhout bij opbod verkocht. Eiken leverden naast brandhout ook hout voor de bouw van schuren. Eikenschors (eek) ging naar de leerlooierijen, berken leverden takken voor bezems. De takken van bomen en struiken werden tot in de jaren zestig van de vorige eeuw verkocht aan bakkers, die daarmee hun ovens stookten. Toen zij gasovens kregen, was het voor de boeren niet meer interessant om het hout regelmatig te kappen. Toch zijn de meeste boeren doorgegaan met het arbeidsintensieve onderhoud. Ze hebben de houtwallen in stand gehouden omdat ze vinden dat die bij hun landschap horen.

 

Natuurlijk is het geen mooi gezicht zo’n gekapte houtwal. Maar het is nodig om de houtwal in stand te houden. Elke 25 jaar wordt de hele wal gekapt, alleen bijzondere bomen blijven staan. Daarnaast wordt de wal regelmatig uitgedund en worden bramen die over de rasters hangen verwijderd. Ook mooie grote eiken moeten gekapt, want alleen van eiken die vanaf hun jeugd regelmatig zijn gekapt loopt de stronk weer uit. Het kappen wordt zoveel mogelijk gespreid zodat er geen kaalslag plaats vindt. Na enkele jaren zijn de bomen en struiken weer flink uitgelopen en vormen de houtwallen weer een dichtbegroeid met struweel.

 

De houtwal verliest zijn functie:

Door de uitvinding van het prikkeldraad in 1853, werden houtwallen minder belangrijk.

Als een houtwal niet goed wordt onderhouden verliest deze zijn functie. Als het vee op de houtwal kan lopen, vervlakken de steile kanten. Doordat er niet wordt gekapt verdringen de grote bomen de onderbegroeiing. Er vallen gaten in de dichte onderbegroeiing en langzaam verdwijnt de houtwal.

De meeste dykswallen zijn in de tweede wereldoorlog volledig kaalgekapt om als brandhout voor de bevolking te dienen. Na de tweede wereldoorlog werd de landbouw steeds intensiever, mechanischer en grootschaliger.

Tijd voor onderhoud was er niet en economisch gezien leverde het hout weinig meer op. De houtwallen werden een obstakel en percelen kleiner dan twee hectare erg lastig te bewerken. Schaalvergroting werd het modewoord.

De houtwallen verdwenen in rap tempo. Gelukkig kwam er in de negentiger jaren een kentering. De ruilverkavelingen trokken zich het lot aan van deze unieke cultuurhistorische landschapselementen. De versterking van de kwaliteit van het landschap was één van de doelstellingen van de ruilverkavelingen. Dykswallen werden gerestaureerd, achterstallig onderhoud ingelopen. Dit betekende het behoud van houtwallen, pingo’s en zandwegen.

 

Agrarisch natuurbeheer:

Tegenwoordig onderhouden de boeren de houtwallen weer, waarvoor ze in het kader van landschapsbeheer een vergoeding krijgen. Ze richtten de boeren in de Friese Wouden de allereerste agrarische natuurvereniging van Nederland op. Er zijn steeds meer bedrijven die willen meedoen aan agrarisch natuurbeheer. De boeren beseffen dat er winst te halen is uit de economie en ecologie. Nog efficiënter gebruik maken van grondstoffen, betere benutting van micro-organismen in de bodem, leveren uiteindelijk resultaat op wat zich vertaalt in een hogere opbrengst per liter melk.

 

Ecologische verbindingszones:

Lijnvormige landschapselementen zijn belangrijke verbindingszones tussen natuurgebieden. De dykskwallen verbinden verschillende leefgebieden met elkaar, omdat dieren de houtwallen als een soort ecologische route kunnen gebruiken. Via deze veilige verbindingswegen kunnen planten en dieren zich verplaatsen en kan uitwisseling tot stand komen, dat voor de soort van levensbelang is. Dan moeten deze elementen ook goed onderhouden zijn en voldoende bescherming, voedsel en rustgelegenheid bieden aan planten- en diersoorten.